Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
Management en Communicatie
campus Meistraat
Meistraat 5 - 2000 Antwerpen
T +32 3 220 55 20 - F +32 3 220 55 59
mc@ap.be
Zakenrecht/315346/2196/2122/1/30
Studiegids

Zakenrecht/3

15346/2196/2122/1/30
Academiejaar 2021-22
Komt voor in:
  • Bachelor in het bedrijfsmanagement (rechtspraktijk), trajectschijf 1
    Keuzeoptie:
    • Avondtraject RP
    Afstudeerrichting:
    • rechtspraktijk
Dit is een enkelvoudig opleidingsonderdeel.
Studieomvang: 3 studiepunten
Co-titularis(sen): Lecoutre Rudi, Tijs Wenzel
Onderwijstalen: Nederlands
Kalender: Module 3
Dit opleidingsonderdeel wordt gequoteerd op 20 (tot op een geheel getal).
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 21.02.2022 (3de module)
Tweede examenkans: wel mogelijk.
Tolereerbaarheid: Dit opleidingsonderdeel is tolereerbaar onder de voorwaarden van de opleiding waarvoor je bent ingeschreven.
Totale studietijd: 78,00 uren

Waarschuwing

Deze informatie is onder voorbehoud van de verdere evolutie van de Coronamaatregelen.

Volgtijdelijkheid

Op dit opleidingsonderdeel is er geen volgtijdelijkheid van toepassing.

Korte omschrijving

In het vak zakenrecht bestuderen we het recht dat betrekking heeft op de zogenaamde zakelijke rechten.

De zakelijke rechten worden verder onderverdeeld in zakelijke hoofdrechten (zijnde het eigendomsrecht, de mede-eigendom en de zakelijke gebruiksrechten) en de zakelijke zekerheidsrechten.

De zakelijke rechten geven aan een rechtssubject (in meer of mindere mate, al naargelang het betreffende zakelijke recht) een rechtstreekse zeggenschap over een bepaald (lichamelijk of onlichamelijk) goed. Zij hebben een werking jegens allen (erga omnes). Zij geven de titularis ervan een volgrecht en, wat de zakelijke zekerheidsrechten betreft, een recht van voorrang.

Zakelijke rechten verschillen aldus duidelijk van vorderingsrechten. Vorderingsrechten geven aan een rechtssubject (niet meer dan) een recht op een prestatie van een ander rechtssubject (geven, doen of laten). De vorderingsrechten in het algemeen worden bestudeerd in het vak verbintenissenrecht. Persoonlijke gebruiksrechten (vb. huur en lening) worden bestudeerd in het vak bijzondere overeenkomsten.

***

Een voorafgaand hoofdstuk van de cursus bevat een algemene inleiding. In dit deel bestuderen we onder meer de bronnen van het zakenrecht, een aantal basisbegrippen uit het zakenrecht en de basisbeginselen en kenmerken van zakelijke rechten.
We staan stil bij de (supranationale en Belgisch nationale) rechtsbronnen van het zakenrecht.
Bij wet van 4 februari 2020 werd de inhoud van “Boek 3. Goederen” van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek (2019) vastgelegd.
De regels van zakenrecht uit het oud Burgerlijk Wetboek (1804) waren oud (het veelvuldig gebruik van Latijnse termen en spreuken in het zakenrecht duidt erop dat vele regels teruggaan tot het Romeinse recht), weinig coherent, onvolkomen en niet meer aangepast aan de huidige tijd (de agrarische samenleving van weleer is niet meer die van vandaag).
De parlementaire voorbereiding bij de wet van 4 februari 2020 vermeldt dat de volgende doelstellingen ten grondslag liggen aan het nieuwe zakenrecht:
1° de belangrijkste teksten over het goederenrecht op gestructureerde wijze in te passen in het Burgerlijk Wetboek, teneinde de transparantie en de rechtszekerheid in dat domein te optimaliseren;
2° het goederenrecht te instrumentaliseren en functioneler te maken;
3° het goederenrecht te moderniseren en het aan te passen aan de behoeften van de hedendaagse maatschappij;
4° het goederenrecht te flexibiliseren en een nieuw evenwicht te vinden tussen de contractvrijheid en de rechtszekerheid.
Hoewel “Boek 3. Goederen” van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek (2019) pas in werking treedt op 1 september 2021, bestuderen we in de cursus reeds het nieuwe recht.
We duiden een aantal basisbegrippen uit het zakenrecht, waaronder de begrippen zakelijke rechten, zakelijke hoofdrechten (het eigendomsrecht, de mede-eigendom en de zakelijke gebruiksrechten), zakelijke zekerheidsrechten of accessoire zakelijke rechten, voorwerp, dier, goed en vermogen.
We analyseren de basisregels van de vermogensleer. Elke rechtssubject heeft een vermogen, enkel rechtssubjecten hebben een vermogen en alle rechtssubjecten hebben één en slecht één vermogen. Het gehele vermogen van een rechtssubject dient als onderpand voor zijn schuldeisers.
We gaan dieper in op recht van voorrang, dat aan de titularis van een zakelijk zekerheidsrecht het recht geeft om een goed terug te nemen uit handen van de houder van het goed zonder onderworpen te worden aan de samenloop en dat aldus bescherming biedt tegen de insolvabiliteit van de schuldenaar, en op het volgrecht, krachtens hetwelk zakelijke rechten van rechtswege geëerbiedigd moeten worden door achtereenvolgende rechtsverkrijgers van het goed waarop de zakelijke rechten betrekking hebben en de titularis van die zakelijke rechten deze mag afdwingen waar en bij wie het goed zich ook bevindt.
We bekijken het zakenrechtelijk specialiteitsbeginsel, volgens hetwelk een zakelijk recht enkel betrekking kan hebben op bepaalde goederen, en het zakenrechtelijk eenheidsbeginsel, volgens hetwelk een zakelijk recht in beginsel enkel betrekking kan hebben op zelfstandige goederen, maar niet op inherente bestanddelen van goederen.
Verder staan we stil bij het gesloten stelsel dat de zakelijke rechten vormen (numerus-clausus). Dit houdt in dat enkel de wetgever zakelijke rechten kan creëren. Personen kunnen aldus zelf geen andere zakelijke rechten in het leven roepen, dan degene die de wetgever tot stand gebracht heeft. Het gesloten stelsel geldt overigens niet alleen voor de zakelijke hoofdrechten, maar ook voor de zakelijke zekerheidsrechten.
Tot slot bestuderen we de zakelijke subrogatie (zaakvervanging). Krachtens dit beginsel blijft, bij het tenietgaan van het oorspronkelijke object van het zakelijk recht, dit zakelijk recht voortbestaan op het goed dat het oorspronkelijke onderpand vervangt en er de waarde van vertegenwoordigt.

***

In het eerste hoofdstuk van de cursus bestuderen we de indeling van de goederen.

We delen de goederen op verschillende wijzen in en geven aan waarom deze indelingen van belang zijn (m.n. omdat de aard van het goed bepalend zal zijn voor de erop toepasselijke regels). Mogelijke indelingen zijn bijvoorbeeld roerende versus onroerende goederen, lichamelijke versus onlichamelijke goederen, verbruikbare versus onverbruikbare goederen, vervangbare versus niet-vervangbare goederen, publieke goederen versus private goederen. Verdere opdelingen zijn ook nog mogelijk – bv. de opdeling van de onroerende goederen in onroerende goederen uit hun aard, door incorporatie, door bestemming en door hun voorwerp – en hebben uiteraard rechtsgevolgen.

***

In het tweede hoofdstuk van de cursus bestuderen we de zakelijke hoofdrechten.

Zeer uitgebreid gaan we vooreerst in op het ongetwijfeld belangrijkste zakelijke hoofdrecht: het eigendomsrecht.

We analyseren de kenmerken van het eigendomsrecht (het meeste volledige zakelijke recht, een altijddurend recht en een exclusief recht). Alle andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht (de zogenaamde beperkte zakelijke rechten) worden trouwens als een belasting van de eigendom aanzien. Krachtens het verschijnsel van de elasticiteit van de eigendom wordt de eigendom vanzelf weer volledig als de eenmaal gevestigde beperkte zakelijke rechten om welke reden dan ook weer tenietgaan.
We bekijken welke fundamentele regels van supranationaal recht en Belgisch nationaal recht het eigendomsrecht beschermen, in de verhouding tussen de overheid en de burger (artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) en tussen de burgers onderling.
We ontleden de oorspronkelijke wijzen van eigendomsverkrijging: de verkrijgende verjaring (usucapio), de natrekking (accessio), de verwerking, de vondst en de niet-ophaling. De meeste aandacht gaat hierbij naar de eigendomsverkrijging door verkrijgende verjaring. We gaan hierbij dieper in op de verschillende aspecten van de bezitsleer (het materieel bestanddeel (corpus) en het moreel bestanddeel (animus) van bezit, de goederen vatbaar voor bezit, de hoedanigheid van bezitter te goeder trouw (bona fide) versus bezitter te kwader trouw (mala fide), de hoedanigheid van bezitter (pro suo) versus (gewone) houder (detentor), bezitsgebreken …), de bezitsvorderingen en de verschillende verjaringstermijnen (nultermijn, drie jaar, dertig jaar en tien jaar). We vergelijken ook kort de verkrijgende verjaring met de bevrijdende verjaring (la prescription) en determineren welke gemeenschappelijke regels op beide verjaringsregimes van toepassing zijn.
We halen kort de afgeleide wijzen van eigendomsverkrijging aan (en staan i.h.b. even stil bij de overeenkomst en de levering (traditio)). De afgeleide wijzen van eigendomsverkrijging worden meer in detail bestudeerd in het bijzondere overeenkomstenrecht.
We onderzoeken de juridische beperkingen van het eigendomsrecht, in het bijzonder de leer van het rechtsmisbruik en de evenwichtsleer of de leer inzake de hinder uit nabuurschap / burenhinder.
We staan stil bij enkele particulariteiten m.b.t. onroerende eigendom (afsluiting en afpaling) en roerende eigendom (i.h.b. de zeer belangrijke (materieelrechtelijke én bewijsrechtelijke) regel “bezit geldt als titel” of, (voor wat de materieelrechtelijke regel betreft) preciezer, “bezit geldt als termijn”).
We onderzoeken de verschillende vormen van mede-eigendom en de erop toepasselijke regels: toevallige (of gewone) mede-eigendom, vrijwillige mede-eigendom en gedwongen mede-eigendom. We onderzoeken wanneer een mede-eigenaar de uitonverdeeldheidtreding kan vorderen (licitatio). Bijzondere aandacht gaat ook uit naar twee bijzondere vormen van gedwongen mede-eigendom: de appartementsmede-eigendom en de mandeligheid (of muurgemeenheid (la mitoyennete)) (regelingen waarvan het belang in een verstedelijkt land als België niet te onderschatten valt).
We onderzoeken ook de wijzen waarop eigendom beschermd kan worden via bezitsvorderingen (de reintegranda) en revindicatievorderingen (rei vindicatio).

Na het eigendomsrecht bestuderen we de andere zakelijke hoofdrechten, zijnde de zakelijke gebruiksrechten als beperkte zakelijke (hoofd)rechten. Deze zakelijke rechten zijn in principe steeds tijdelijk van aard.

Achtereenvolgens komen aan bod het vruchtgebruik (usefructus / l’usufruit), het recht van opstal, de erfpacht en erfdienstbaarheden (servitus / la servitude). We bestuderen de kenmerken van deze beperkte zakelijke (hoofd)rechten en de regels die erop van toepassing zijn (o.a. de vergoedingsregels die gelden wanneer zij ten einde komen).

***

In een derde hoofdstuk van de cursus bestuderen we de zekerheidsrechten.

De zekerheidsrechten worden opgedeeld in zakelijke zekerheidsrechten en persoonlijke zekerheidsrechten.

Zekerheden zijn betalingswaarborgen voor een schuldeiser. Zij dienen om het risico van de schuldeiser van het financieel onvermogen van zijn schuldenaar op de vervaldag van de schuldvordering in te dekken.

Zekerheidsovereenkomsten (bv. borgtochtovereenkomst, pandovereenkomst, hypotheekovereenkomst) zijn in principe bijkomende overeenkomsten. Hierop geldt de regel bijzaak volgt hoofdzaak (accessorium sequitur principale). Aldus zal de bijkomende overeenkomst (bv. borgtochtovereenkomst, pandovereenkomst, hypotheekovereenkomst) vervallen wanneer de hoofdovereenkomst (bv. leningsovereenkomst) vervalt (bv. omdat ze nietig is of omdat de schuldeiser volledig betaald is).

Als een schuldeiser een zekerheid vindt buiten het vermogen van zijn schuldenaar, spreken we van een persoonlijke zekerheid. In deze hypothese voegt de schuldeiser een tweede schuldenaar bij de eerste. Voorbeelden hiervan zijn hoofdelijkheid, borgtocht en garantie.

Als een schuldeiser een zekerheid vindt binnen het vermogen van zijn schuldenaar, spreken we van een zakelijke zekerheid. Een zakelijke zekerheid is dan een wettige reden tot voorrang, daaronder verstaan het recht om voor de overige schuldeisers aan te treden bij de verdeling van de opbrengst van alle of bepaalde goederen van de schuldenaar. Voorbeelden hiervan zijn voorrechten, hypotheken en pandrechten.

We staan vooreerst – in verdere uitwerking van de vermogensleer – stil bij een aantal belangrijke beginselen die gelden in het zekerhedenrecht (en het executierecht). Bij samenloop van schuldeisers (concursus creditorum), d.i. de juridische toestand die ontstaat wanneer meerdere schuldeisers hun verhaalsrechten uitoefenen op de goederen van hun gemeenschappelijke debiteur, speelt het fixatiebeginsel, volgens hetwelk de rechten van de schuldeisers in hun onderlinge verhouding onherroepelijk worden vastgelegd bij samenloop, en het gelijkheidsbeginsel (paritas creditorum), volgens hetwelk het vermogen van de schuldenaar in gelijke mate tot voldoening van zijn schuldeisers strekt bij samenloop, behoudens wettige reden van voorrang tussen hen. Een gevolg van deze beginselen is dat individuele executiemiddelen van gewone (chirografaire) schuldeiser opgeschort worden en er een evenredige of pondpondsgewijze verdeling (pro rata) dient te gebeuren tussen de gewone (chirografaire) schuldeisers.

We brengen in herinnering dat ook op het vlak van de zakelijke zekerheidsrechten er sprake is van een gesloten stelsel. Partijen kunnen geen andere zakelijke zekerheidsrechten in het leven roepen dan degene die door de wetgever tot stand gebracht zijn.

We onderzoeken achtereenvolgens de verschillende voorrechten (men kan hier, gelet op de wildgroei aan voorrechten zowel in de Hypotheekwet als daarbuiten, gerust gewag maken van een “bonte stoet”), de hypotheken (de wettelijke hypotheek, de bedongen hypotheek en de testamentaire hypotheek) en de pandrechten en de erop van toepassing zijnde regels.

De voorrechten worden gedeeltelijk geregeld in de Hypotheekwet (zie hiervoor de bemerking over de bonte stoet van voorrechten, die ook buiten de Hypotheekwet te vinden zijn); de hypotheken worden redelijk omvattend geregeld in de Hypotheekwet. De Hypotheekwet is een gedateerde en erg technische wet, waardoor hij zich moeilijk laat lezen.

Sinds 1 januari 2018 worden de pandrechten – behoorlijk omvattend (er bestaat bv. ook nog de Wet Financiële Zekerheden van 2004) – geregeld in de Pandwet (die is ingelast in Boek 3, Titel XVII van het oud Burgerlijk Wetboek). De Pandwet bevat overigens nog andere zakelijke zekerheden, die we zijdelings aanhalen (het retentierecht en het eigendomsvoorbehoud).

De persoonlijke zekerheden (waaronder hoofdelijkheid, borgtocht en garantie) maken geen deel uit van het zakenrecht. We bestuderen de belangrijkste persoonlijke zekerheden evenwel toch in het vak zakenrecht, om ze te kunnen vergelijken met de zakelijke zekerheden.

Merk tot slot nog op dat het zakenrecht nauw aanleunt bij het domein van het executierecht (dat o.a. de procedurele regels om een schuldenaar te kunnen uitwinnen omvat (i.h.b. het beslagrecht)) en het insolventierecht (gerechtelijke reorganisatie (i.h.b. met het oog op een overdracht onder gerechtelijk gezag), faillissement, collectieve schuldenregeling en ontbinding en vereffening). Het executierecht wordt bestudeerd in het gerechtelijk recht. Het insolventierecht wordt vooral bestudeerd in het (ondernemingsrecht en) economisch recht.

***

In een vierde hoofdstuk bestuderen we de publiciteitssystemen m.b.t. zakelijke rechten.

We onderzoeken de publiciteitsvereisten die (al dan niet) vervuld moeten worden bij de vestiging of overdracht van zakelijke hoofdrechten.

Vooral wat de onroerende goederen betreft, heeft de wetgever veel aandacht besteed aan het publiciteitssysteem (m.n. voor de tegenwerpelijkheid aan derden van de overdracht). We bestuderen de overschrijving en de kantmelding als publiciteitsmechanismen.

Ook wat de zakelijke zekerheidsrechten betreft, bestuderen we het publiciteitssysteem terzake (inschrijvingen, randmeldingen, het hypotheekregister en het pandregister).

***

In een vijfde en laatste hoofdstuk bestuderen we een aantal principes die gemeenschappelijk zijn aan alle zakelijke rechten.

Begincompetenties (tekst)

De informatie en leerinhoud goed kunnen ordenen en interpreteren en concreet en probleemoplossend een casus kunnen verwerken.

OLR-Leerdoelen (lijst)

Vindt en analyseert kritisch actuele beroepsgerelateerde bronnen in overeenstemming met de vigerende regelgeving, distilleert daaruit de relevante informatie en gebruikt deze in de juridische praktijk.
De student kan de correcte set van rechtsregels terugvinden in de bronnen van het goederen- en zekerhedenrecht en deze rechtsregels correct toepassen bij het ontleden en beoordelen van een juridische vraagstelling m.b.t. het goederen- en zekerhedenrecht.
Voert zijn/haar taak zelfgestuurd en nauwkeurig uit: toont initiatief, creativiteit en doorzettingsvermogen en werkt oplossingsgericht.
De student formuleert relevante hypotheses en maakt cascaderedeneringen bij het ontleden en beoordelen van een juridische vraagstelling m.b.t. het goederen- en zekerhedenrecht.
heeft inzicht in de –voor het beroepsveld meest relevante rechtstakken - en lost eenvoudige juridische problemen in de praktijk op.
De student legt in correcte juridische bewoordingen begrippen en leerstukken m.b.t. het goederen- en zekerhedenrecht uit (adhv een verhelderend voorbeeld). Hij is in staat om de toepassingsvoorwaarden voor een bepaald leerstuk op te sommen en te duiden.
De student past de abstracte theorie toe op een concrete casus die verband houdt met het goederen- en zekerhedenrecht. Hij/zij legt uit welke regels toepasselijk zijn op de casus en wat zij precies inhouden en geeft aan tot welk resultaat zij leiden.
ondersteunt juridisch inhoudelijk een professioneel jurist bij de realisatie van diens doelstellingen.
De student kan in praktijksituaties de problemen van goederen- en zekerhedenrecht ontwaren en ontleden. Hij is in staat om geschikte en sluitende oplossingen te formuleren om deze problemen te vermijden of aan deze problemen te remediëren.
Neemt verantwoordelijkheid voor de eigen professionele ontwikkeling, volgt zelfstandig tendensen op in functie van de eigen professionele ontwikkeling en integreert deze nieuwe inzichten.
De student volgt de evoluties in de wetgeving en de jurisprudentie m.b.t. het goederen- en zekerhedenrecht op en kan aangeven hoe zij de uitkomst van een concrete juridische vraagstelling kunnen beïnvloeden.

Leerinhoud

VOORAFGAAND HOOFDSTUK – INLEIDING TOT HET ZAKENRECHT

HOOFDSTUK 1 – DE LEER VAN DE INDELING VAN DE GOEDEREN

HOOFDSTUK 2 – DE ZAKELIJKE HOOFDRECHTEN

Voorafgaande afdeling - Inleiding

Afdeling 1 - Het eigendomsrecht

Afdelingen 2 t.e.m. 5 - De zakelijke gebruiksrechten

Afdeling 2 – Vruchtgebruik
Afdeling 3 – Recht van opstal
Afdeling 4 – Erfpacht
Afdeling 5 – Erfdienstbaarheden

HOOFDSTUK 3 - DE ZAKELIJKE ZEKERHEDEN EN DE PERSOONLIJKE ZEKERHEDEN

Voorafgaande afdeling - Het belang van zekerheden

Afdelingen 1 t.e.m. 5 - De zakelijke zekerheden

Afdeling 1 – Voorrechten
Afdeling 2 – Hypotheken
Afdeling 3 – Pand
Afdeling 4 – Retentierecht
Afdeling 5 – Eigendomsvoorbehoud

HOOFDSTUK 4 – PUBLICITEIT

HOOFDSTUK 5 – ZAKELIJKE RECHTEN: GEMEENSCHAPPELIJKE PRINCIPES

Studiematerialen (lijst)

Burgerlijk wetboekVerplicht
GoederenrechtVerplicht€ 18,00
  • Auteur: WYLLEMAN, A.
Digitap APVerplicht
  • Auteur: AP Hogeschool Antwerpen

Onderwijsorganisatie

Avondtraject
Hoor- en/of werkcolleges (avondtraject)12,00 uren
Werktijd buiten de contacturen (avondtraject)64,00 uren
Dagtraject
Hoor- en/of werkcolleges (dagtraject)24,00 uren
Werktijd buiten de contacturen (dagtraject)52,00 uren
Examentijd
Voorziene tijd voor toetsing2,00 uren

Toetsing (lijst)

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
AcademiejaarKennistoets20,00schriftelijk examen
AcademiejaarVaardigheidstoets hands off80,00schriftelijk examen
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Tweede examenperiodeVaardigheidstoets hands off80,00schriftelijk examen
Tweede examenperiodeKennistoets20,00schriftelijk examen

Toetsing (tekst)

Zie digitap voor eventuele verdere instructies.