Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
Management en Communicatie
campus Meistraat
Meistraat 5 - 2000 Antwerpen
T +32 3 220 55 20 - F +32 3 220 55 59
mc@ap.be
Vennootschapsrecht/335171/2196/2122/1/27
Studiegids

Vennootschapsrecht/3

35171/2196/2122/1/27
Academiejaar 2021-22
Komt voor in:
  • Bachelor in het bedrijfsmanagement (rechtspraktijk), trajectschijf 2
    Keuzeoptie:
    • Avondtraject RP
    Afstudeerrichting:
    • rechtspraktijk
Dit is een enkelvoudig opleidingsonderdeel.
Studieomvang: 3 studiepunten
Titularis: Tijs Wenzel
Onderwijstalen: Nederlands
Kalender: Module 4
Dit opleidingsonderdeel wordt gequoteerd op 20 (tot op een geheel getal).
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 21.02.2022 (3de module)
Tweede examenkans: wel mogelijk.
Tolereerbaarheid: Dit opleidingsonderdeel is tolereerbaar onder de voorwaarden van de opleiding waarvoor je bent ingeschreven.
Totale studietijd: 78,00 uren

Waarschuwing

Deze informatie is onder voorbehoud van de verdere evolutie van de Coronamaatregelen.

Volgtijdelijkheid

(eerder ingeschreven voor Juridische bronnen/1) EN eerder ingeschreven voor Verbintenissen/1.

Korte omschrijving

De student wordt ingewijd in het Belgische vennootschaps- en verenigingsrecht en leert het Wetboek van Vennootschappen en verenigingen (WVV) correct te hanteren. Hij/zij krijgt inzicht in hoe vennootschappen en verenigingen zich van elkaar onderscheiden en in een aantal basisregels en technieken die van toepassing zijn op vennootschappen en verenigingen. De focus ligt in de eerste plaats op het vennootschapsrecht en de meest courante vennootschapsvormen (BV, CV en NV). De student krijgt onder meer inzicht in de wijze waarop de diverse vennootschapsvormen worden opgericht, in de wijze waarop hun organen zijn samengesteld en functioneren, in de wijze waarop zij geherstructureerd of omgezet kunnen worden en in de wijze waarop zij ontbonden en vereffend worden. De minder courante vennootschapsvormen (maatschap, VOF, CommV, EESV, SE en SCE) en de verenigingen (feitelijke verenigingen, VZW, IVZW en stichting) komen eveneens aan bod.

Begincompetenties (tekst)

Beschikken over een grondige kennis van het verbintenissenrecht.

OLR-Leerdoelen (lijst)

heeft inzicht in de –voor het beroepsveld meest relevante rechtstakken - en lost eenvoudige juridische problemen in de praktijk op.
De student beschrijft hoe de organen van een bepaalde vennootschaps- of verenigingsvorm samengesteld zijn, welke hun bevoegdheden zijn en hoe zij functioneren (samengeroepen worden, beraadslagen en beslissingen nemen, vertegenwoordigen).
De student beschrijft hoe de diverse vennootschaps- en verenigingsvormen worden opgericht. Hij/zij beschrijft welke voorwaarden en formaliteiten vervuld moeten zijn voor de oprichting van een bepaalde vennootschaps- of verenigingsvorm.
De student legt de doelen, voorwaarden en concrete uitwerking van courante operaties m.b.t. het vennootschaps- en verenigingsrecht uit (statutenwijzigingen, bijkomende inbrengen en terugnemingen, kapitaalverhoging / kapitaalvermindering, omvorming, fusie / splitsing, ontbinding en vereffening, ...).
De student legt de rechten en plichten van de diverse actoren uit het vennootschaps- en verenigingsrecht (aandeelhouder/vennoot/lid, houder van winstbewijzen/obligaties/warrants, bestuurder, vaste vertegenwoordiger, persoon belast met het dagelijks bestuur, commissaris, organen) uit.
De student duidt de verschillen tussen diverse vennootschaps- en verenigingsvormen aan. Hij/zij duidt aan welke de voor- en nadelen zijn van een bepaalde vennootschaps- of verenigingsvorm.
De student past de abstracte theorie toe op een concrete casus die verband houdt met het vennootschapsrecht: hij legt uit welke regels toepasselijk zijn, wat zij precies inhouden en geeft vervolgens aan tot welk resultaat zij leiden.
Handelt cliënt/klantgericht: verleent eerstelijns juridisch advies en behartigt de juridische belangen van cliënten/klanten.
De student werkt een juridisch onderbouwd advies uit waarin een probleem van vennootschaps- of verenigingsrecht ontleed wordt en aangegeven wordt hoe dit probleem vermeden of opgelost kan worden.
De student duidt aan welke procedures in het vennootschaps- en verenigingsrechtsrecht zijn uitgewerkt om de stakeholders en derden te beschermen. Hij/zij beschrijft ratio legis, de voorwaarden en de uitwerking van die procedures.
ondersteunt juridisch inhoudelijk een professioneel jurist bij de realisatie van diens doelstellingen.
De student berekent of de voorwaarden voor de toepassing van bepaalde procedures/beschermingsmechanismen m.b.t. het vennootschapsrecht of verenigingsrecht behaald zijn (overdracht van aandelen, volstorting, statutenwijziging, wettelijke reserve, alarmbelprocedure, uitkeringen, ...).
Neemt verantwoordelijkheid voor de eigen professionele ontwikkeling, volgt zelfstandig tendensen op in functie van de eigen professionele ontwikkeling en integreert deze nieuwe inzichten.
De student volgt de evoluties in de wetgeving en de jurisprudentie m.b.t. het vennootschaps- en verenigingsrecht op en kan aangeven hoe zij de uitkomst van een concrete juridische vraagstelling kunnen beïnvloeden.

Leerinhoud

01. Algemene inleiding tot het vennootschapsrecht en het verenigingsrecht (historiek, bronnen, definitie, vennootschapsrechtelijke technieken (rechtspersoonlijkheid, inbreng en afgescheiden vermogen en beperkte aansprakelijkheid), gradaties in de juridische zelfstandigheid, voorwerp, doel, vorm (maatschap, VOF, CommV, BV, CV, NV, EESV, SE, SCE, feitelijke vereniging, VZW, IVZW, stichting)

02. Vennootschap (begrip, categorieën, banden, grootte)

03. Betrokkenen (aandeelhouders, bestuursorgaan, toezicht) en interactie met derden

04. Effecten (soorten (aandelen, winstbewijzen, obligaties, warrants, certificaten), registers, overdracht van effecten)

05. Oprichting (formaliteiten, handelingen voor oprichting, eigen vermogen (kapitaal of inbreng), soorten inbreng, quasi-inbreng, oprichtersaansprakelijkheid, nietigheid)

06. Bestuursorganen (rol, bevoegdheden, benoeming, besluitvorming, tegenstrijdig belang, vertegenwoordiging, aansprakelijkheid)

07. Rapportering (jaarrekening, resultaatverwerking, jaarverslag, bekedmaking)

08. Commissaris (opdracht, benoeming, bevoegdheden, aansprakelijkheid)

09. Algemene vergadering van aandeelhouders (rol, bevoegdheden, samenstelling, werkwijze, soorten, statutenwijziging, voorwerp- en doelwijziging)

10. Wijzigingen aan en behoud van he eigen vermogen (bijkomende inbrengen en terugneming, kapitaalverhoging, kapitaalvermindering, verkrijging van eigen effecten, resultaatbestemming (wettelijke reserve, uitkeringen, interimdividenden, uittreding of uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen), alarmbelprocedure, ontbinding op vordering van derden)

11. Algemene vergadering van obligatiehouders

12. Herstructureringen (fusie, splitsing, inbreng van een algemeenheid, inbreng van een bedrijfstak)

13. Omzetting van een vennootschap

14. Ontbinding en vereffening van een vennootschap

15. Geschillenregeling (deskundigenonderzoek, uitsluiting, uittreding, vennootschapsvordering, minderheidsvordering)

16. Minder courante vennootschapsvormen (maatschap, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, Europees economisch samenwerkingsverband, Europese vennootschap, Europese coöperatieve vennootschap)

17. Verenigingen (vereniging zonder winstoogmerk, internationale vereniging zonder winstoogmerk, stichting)

18. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen (inwerkingtreding, van kapitaal naar onbeschikbaar vermogen, omzetting van verdwenen rechtsvormen)

19. Actualia vennootschaps- en verenigingsrecht

20. Een complexe oefening uit de praktijk

Studiematerialen (lijst)

Elektronische oefeningenVerplicht
Eigen nota'sVerplicht
Slides (naar goeddunken ter beschikking gesteld door de docent)Verplicht
Studentencodex (met Burgerlijk Wetboek, Wetboek van Economisch Recht en Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen)Verplicht
Vennootschaps-en verenigingsrecht toegepastVerplicht
  • Auteur: J. Vincke, R. Smits
Digitap APVerplicht
  • Auteur: AP Hogeschool Antwerpen

Onderwijsorganisatie

Avondtraject
Hoor- en/of werkcolleges (avondtraject)12,00 uren
Werktijd buiten de contacturen (avondtraject)64,00 uren
Dagtraject
Hoor- en/of werkcolleges (dagtraject)24,00 uren
Werktijd buiten de contacturen (dagtraject)52,00 uren
Examentijd
Voorziene tijd voor toetsing2,00 uren

Toetsing (lijst)

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
AcademiejaarKennistoets20,00Het examen is schriftelijk en met gesloten boeken. Enkel niet-geannoteerde wetteksten mogen worden gebruikt. Er mag geen rekenmachine gebruikt worden.Het examen bestaat uit enerzijds theoretische vragen en anderzijds toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus.Theoretische vragen kunnen worden gesteld onder de vorm van meerkeuzevragen, juist-of-fout-vragen en/of open vragen. Bij toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus moet de student eerst de toepasselijke theorie uitleggen (d.i. het wettelijke kader, verduidelijkt aan de hand van de jurisprudentie, schetsen) en vervolgens uitleggen hoe hij deze theorie concreet toepast op de oefening/casus. Tenzij anders aangegeven wordt in de vraag, moet ieder antwoord steeds een verwijzing naar de toepasselijke wetsartikels bevatten.Een hoofdvraag kan opgesplitst worden in meerdere subvragen (eventueel met verschillende hypotheses).
AcademiejaarVaardigheidstoets hands off80,00Het examen is schriftelijk en met gesloten boeken. Enkel niet-geannoteerde wetteksten mogen worden gebruikt. Er mag geen rekenmachine gebruikt worden.Het examen bestaat uit enerzijds theoretische vragen en anderzijds toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus.Theoretische vragen kunnen worden gesteld onder de vorm van meerkeuzevragen, juist-of-fout-vragen en/of open vragen. Bij toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus moet de student eerst de toepasselijke theorie uitleggen (d.i. het wettelijke kader, verduidelijkt aan de hand van de jurisprudentie, schetsen) en vervolgens uitleggen hoe hij deze theorie concreet toepast op de oefening/casus. Tenzij anders aangegeven wordt in de vraag, moet ieder antwoord steeds een verwijzing naar de toepasselijke wetsartikels bevatten.Een hoofdvraag kan opgesplitst worden in meerdere subvragen (eventueel met verschillende hypotheses).
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Tweede examenperiodeKennistoets20,00Het examen is schriftelijk en met gesloten boeken. Enkel niet-geannoteerde wetteksten mogen worden gebruikt. Er mag geen rekenmachine gebruikt worden.Het examen bestaat uit enerzijds theoretische vragen en anderzijds toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus.Theoretische vragen kunnen worden gesteld onder de vorm van meerkeuzevragen, juist-of-fout-vragen en/of open vragen. Bij toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus moet de student eerst de toepasselijke theorie uitleggen (d.i. het wettelijke kader, verduidelijkt aan de hand van de jurisprudentie, schetsen) en vervolgens uitleggen hoe hij deze theorie concreet toepast op de oefening/casus. Tenzij anders aangegeven wordt in de vraag, moet ieder antwoord steeds een verwijzing naar de toepasselijke wetsartikels bevatten.Een hoofdvraag kan opgesplitst worden in meerdere subvragen (eventueel met verschillende hypotheses).
Tweede examenperiodeVaardigheidstoets hands off80,00Het examen is schriftelijk en met gesloten boeken. Enkel niet-geannoteerde wetteksten mogen worden gebruikt. Er mag geen rekenmachine gebruikt worden.Het examen bestaat uit enerzijds theoretische vragen en anderzijds toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus.Theoretische vragen kunnen worden gesteld onder de vorm van meerkeuzevragen, juist-of-fout-vragen en/of open vragen. Bij toepassingsvragen onder de vorm van een geïntegreerde oefening/casus moet de student eerst de toepasselijke theorie uitleggen (d.i. het wettelijke kader, verduidelijkt aan de hand van de jurisprudentie, schetsen) en vervolgens uitleggen hoe hij deze theorie concreet toepast op de oefening/casus. Tenzij anders aangegeven wordt in de vraag, moet ieder antwoord steeds een verwijzing naar de toepasselijke wetsartikels bevatten.Een hoofdvraag kan opgesplitst worden in meerdere subvragen (eventueel met verschillende hypotheses).

Toetsing (tekst)

Zie digitap voor eventuele verdere instructies.